Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen

vrijdag, december 28, 2007

Verdwijnt er opnieuw een kostbaar manuscript uit Vlaanderen?


Volgens de webstek van het weekblad Knack, dreigt er na het Gruuthuse-handschrift vorig jaar, opnieuw een bijzonder kostbaar en cultuurhistorisch belangrijk manuscript naar het buitenland te verdwijnen. Het topstuk in kwestie, het Antifonarium Tsgrooten, werd rond 1500 besteld door abt Tsgrooten van de abdij van Tongerlo. Het was de Leuvense scribent Franciscus van Weert die de opdracht tot een goed einde bracht en een meesterwerk van Brabantse miniatuurkunst afleverde.

Dit meesterwerk dreigt evenwel naar het buitenland te verdwijnen voor een veilingverkoop. Nochtans koos de huidige eigenaar, de familie De Mérode, ervoor om het manuscript in eerste instantie aan te bieden aan de culturele instellingen in eigen land. Vooralsnog echter zonder positief gevolg. Ook het aankoopdossier dat al geruime tijd bij Vlaams minister Anciaux ligt, bleef tot heden zonder duidelijk antwoord waardoor het manuscript wellicht begin volgend jaar naar Londen verhuist voor een veilingverkoop door Christies. Volgens Vlaams parlementslid De Bruyn zou het een grote vergissing zijn ook dit kostbaar meesterwerk uit Vlaanderen te laten vertrekken: Het Antifonarium biedt Vlaanderen de laatste kans om een van de werken die in opdracht van abt Tsgrooten werden vervaardigd, te verwerven. Na de spijtige verkoop van het Gruuthuse-handschrift aan de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, beloofde de minister een proactief beleid in het kader van het topstukkendecreet. Blijkbaar heeft deze belofte niet kunnen voorkomen dat alweer een uniek stuk uit ons cultuurhistorisch patrimonium naar het buitenland verdwijnt?

De Bruyn zal de minister zo spoedig mogelijk interpelleren over dit dreigend vertrek van alweer een topstuk uit Vlaanderen.


zaterdag, december 22, 2007

België heeft uitgediend!

Het Plakkaat van Verlating van 1581 herschreven

OVV-info, Pro Flandria 17 december 2007

Op 26 juli 1581 zwoeren onze moegetergde voorouders in de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden in Den Haag Koning Philips II af. Zij riepen meteen hun onafhankelijkheid uit. Ze waren ten einde raad door de politiek van uitbuiting en vervolging, bedreven in naam van de Koning van Spanje. Ze wilden het de zoon van de in Gent geboren Keizer Karel niet vergeven dat hij hen in de steek liet en onderdrukte, terwijl het toch de plicht van een Vorst moet zijn, "zijn onderdanen te behoeden voor ongeluk, overlast en geweld". Hij die zijn onderdanen verdrukt en als slaven behandelt, hun eeuwenoude rechten en vrijheden ontneemt en hun bezittingen in vreemde handen doet overgaan, noemden zij een tiran. De Koning heeft door zijn wanbeleid voldoende wettige redenen gegeven om hem te verlaten en het recht te ontzeggen nog als legitieme heerser op te treden.

Om gelijkaardige redenen hebben onze voorouders Keizer Jozef II als wettige vorst afgezet. Op 22 november 1789 riepen de Staten van Vlaanderen in het Stadhuis van Gent de onafhankelijkheid van Vlaanderen uit. Zij onderbouwden die met een Manifest dat op 4 januari 1790 door de griffier van de Staten van Vlaanderen op de Vrijdagmarkt werd voorgelezen. Op 11 januari 1790 sloten de overige Zuidelijke Nederlanden zich bij deze afscheiding aan in het Tractaet van Vereeniging of van de Vereenigde Nederlandsche Staeten. Deze afscheidingsbeslissingen was geen lang leven beschoren want onze gewesten werden door het revolutionaire Frankrijk geannexeerd, tot ze in 1814 na het Congres van Wenen met de Noordelijke Nederlanden werden herenigd.

In 1830 bewerkten door Frankrijk gesteunde opstandelingen een nieuwe secessie waaruit het Koninkrijk België ontstond, dat zij in handen legden van Leopold van Saksen-Coburg. Na 177 jaar heeft dit Koninkrijk uitgediend.

Vandaag delen de Vlamingen, leden en sympathisanten van Pro Flandria tegenover de staat België, die wordt verpersoonlijkt door Albert II van Saksen-Coburg, gelijkaardige gevoelens als hun voorouders in 1581 en 1789.

  1. België biedt enkel meerwaarde voor een kleine bevoorrechte klasse.
    Uit de aanslepende pogingen tot regeringsvorming blijkt dat zelfs diegenen die het meeste heil van België verwachten, nog geen minieme geste willen doen om het land te redden. Zelfs voor de toepassing van "de grondwet en de wetten van het Belgische volk" wil men een prijs doen betalen. De elementaire regels van goed bestuur worden voortdurend met voeten getreden, terwijl enerzijds Vlaanderen het recht wordt ontzegd zijn lot grotendeels in eigen hand te nemen en anderzijds Wallonië terugschrikt voor het opnemen van zijn verantwoordelijkheid voor eigen lot.
  2. Aan de Vlamingen zal het niet gelegen hebben.
    Zij werden anderhalve eeuw in het unitaire België misdeeld, misbruikt en steeds weer bedrogen. In 1840 dienden ze een eerste wensenprogramma bij de Kamer in, maar dit "Petitionnement" werd er niet eens besproken. Elke latere beschermingsmaatregel moest duur worden bevochten, dikwijls tegen de wil van de Vorst. Tijdens de Eerste Wereldoorlog richtten de Vlaamse frontsoldaten tot Koning Albert I tevergeefs hun smeekbede: "hier ons bloed, wanneer ons recht?" Een halve eeuw geleden mochten de Vlamingen de monarchie en dus het Koninkrijk redden; maar de Koning liet hen systematisch in de steek en koos steevast de kant van de tegenpartij, tot op de dag van vandaag.
  3. Het sinds 1970 ingevoerde federalisme draaide uit op oogverblinding.
    Toen de vlijt van generaties Vlamingen zich eindelijk ging vertalen in politieke macht, werd het Belgische roer geleidelijk in federalistische richting omgegooid. Maar zij die in het unitaire België hun zin konden doen, bleven het federale België naar hun hand zetten. De Vlamingen brachten steeds opnieuw de nodige federale loyauteit op en eerbiedigden gewetensvol de bevoegdheidsverdeling tussen de diverse bestuurslagen alsook het grondgebied van de anderen. De andere kant was en is daar nooit toe bereid. Zelfs de vele miljarden EURO die de Vlamingen elk jaar opnieuw voor hun landgenoten veil hebben, volstaan niet om dezen tot loyaal gedrag te bewegen, laat staan tot enig respect voor de donoren.
Besluit:

Verdere pogingen tot vorming van een federale regering kunnen de doodstrijd van België alleen maar rekken, onnodige tegenstellingen aanwakkeren, grote schade toebrengen aan de inwoners en ondernemingen van het land en de toekomst hypothekeren.


Vlaanderen en Wallonië kunnen best als zelfstandige staten verder door het leven gaan, zoals Tsjechië, Slowakije, de landen van het vroegere Joegoslavië en vroeger Oostenrijk en Hongarije, Noorwegen en Zweden. Ze moeten de boedelscheiding rationeel, in vriendschap en binnen een redelijke tijdspanne, waar nodig met internationale arbitrage kunnen regelen. Vlamingen en Walen moeten beseffen dat ze altijd elkaars buren zullen blijven met een gemeenschappelijk verleden en gedeelde belangen, waardoor ze elkaar binnen de Europese Unie als bevoorrechte partners zullen behandelen. Voor Brussel, dat integraal in Vlaanderen ligt, is een gedurfd statuut aangewezen van Europese, nationale en internationale hoofdstad met ruim zelfbestuur, met medebeheer van en co-financiering door de instellingen die er zijn gevestigd.



vrijdag, december 21, 2007

Stop Israëlische bezetting

Weg met Israël nu

Als nationalistisch tijdschrift voelt Klauwaert mee met de strijd van de Palestijnen.
Wat er in Palestina de laatste eeuwen is gebeurd, is zowat het ergste wat
een volk kan overkomen. Verdreven worden uit het eigen land en beperkt in rechten.
En dat allemaal door een vreemde bezetter. Deze toestand is nu al een 100 jaar bezig en het wordt tijd dat het Westen wakker wordt en mee de steun uitdrukt aan
de Palestijnen.

Een man die deze mening deelt is Dries Van Agt, advocaat en oud-premier van Nederland. Hij is iemand die als neutraal persoon uit het Westen de hele toestand nauwgezet heeft geanalyseerd.
Klauwaert staat volledig achter zijn visie over het conflict en bewondert hem voor zijn oprechtheid en lef om als westers politicus een standpunt in te nemen dat ingaat tegen de visie van het almachtige Joodse establishment in het Westen.
Wat volgt is een beknopt overzicht van wat er echt gebeurd is in Palestina. Niet gekleurd en de harde, volledige waarheid. Wil je nog meer te weten komen over het conflict dan raden we je graag zijn site aan: www.driesvanagt.nl.

Het Israëlisch-Palestijnse conflict in vogelvlucht

Palestina heeft eeuwenlang deel uitgemaakt van het Ottomaanse rijk. Toen dit rijk na de Eerste Wereldoorlog ineenstortte, maakten Europese mogendheden zich van de brokstukken ervan meester. De destijdse Volkenbond, voorloper van de Verenigde Naties, gaf Palestina in beheer (mandaat) aan Groot-Brittannië. In die tijd, omtrent 1920, bestond de bevolking van Palestina nog voor ongeveer 90% uit Palestijnen.

In de jaren tussen de beide wereldoorlogen trokken veel Joodse migranten naar Palestina. Kwalijke uitingen van antisemitisme in Europa stimuleerden die emigratie en de zionistische beweging maakte er krachtig propaganda voor. De gruwelijke Jodenvervolging die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog voordeed bracht in de jaren veertig een uittocht uit Europa teweeg. Zo kwam de verhouding tussen de inheemse Palestijnse bevolking en de immigrerende Joden steeds meer onder druk te staan. De Britse beheerder werd de grond toen al gauw te heet onder de voeten.



In 1947 werd het de Britten te gortig. Ze wierpen het probleem Palestina in de schoot van de Verenigde Naties (VN). Wat moesten die ermee aan? De VN kwamen met een verdelingsplan voor Palestina. Er zouden naast elkaar een staat voor de Joden en een staat voor de inheemse Palestijnen moeten komen. Volgens dat plan zouden de Joden 55% van Palestina krijgen, de Palestijnen 42% (de rest, omvattende Jeruzalem, zou onder internationaal beheer worden gesteld). Dit was een onrechtvaardige verdeling, want de bevolking van het gebied bestond toen voor 30% uit Joden en voor 70% uit Palestijnen. Geen wonder dan ook dat niet alleen de Palestijnen, maar ook de Arabieren in de aangrenzende landen deze aanbeveling van de VN verwierpen.

Toen op 14 mei 1948 David Ben-Gurion de staat Israël uitriep, brak oorlog uit met de Arabieren. Tijdens die oorlog veroverde het leger van Israël veel land dat in het VN plan was toegewezen aan de Palestijnen. In 1949 was de staat Israël al meester over 78% van het voormalige mandaatgebied Palestina.


Maar al in april 1948, dus reeds vóór de uitroeping van de staat Israël, waren zionistische milities begonnen met het veroveren van land en het verdrijven van Palestijnen. Bij het einde van de oorlog waren circa 750.000 Palestijnen verjaagd of gevlucht. Om te voorkomen dat zij zouden terugkeren naar huis en haard, hebben Israëlische strijdgroepen honderden Palestijnse dorpen verwoest.

In 1967 veroverde Israël de rest van Palestina (22%). Toen begon de bezetting van Oost-Jeruzalem, de Westoever van de Jordaan en Gaza. Ten gevolge van deze verovering hebben weer honderdduizenden Palestijnen de wijk genomen. Zij vormen nu de grootste vluchtelingenpopulatie ter wereld. VN-resoluties hebben in ondubbelzinnige bewoordingen geproclameerd dat verdreven en gevluchte Palestijnen (1948-1949 en 1967) het recht hebben terug te keren. Israël schuift deze uitspraken terzijde.

Op de aldus verbrokkelde Westoever kan geen levensvatbare Palestijnse staat meer worden gevestigd en dat is blijkbaar de bedoeling van dit kolonisatiebeleid. Het planten van nederzettingen, bewoond door burgers van de bezettende staat, is vierkant in strijd met het internationale recht. Oost-Jeruzalem, in sociaal, economisch en cultureel opzicht het hart van de Palestijnse natie, is door Israël bij wet ingelijfd. Deze annexatie wordt door geen enkele staat ter wereld erkend.

Zeer opmerkelijk is het dat deze kolonisatie volop doorging tijdens de Oslo-vredesbesprekingen in de jaren 1993 tot 2000. Hoewel deze besprekingen gebaseerd waren op de formule “land voor vrede”, werden de nederzettingen juist in die periode in omvang en inwonertal verdubbeld! Vooral hierdoor strandde het vredesproces in 2000.



In 2003 is Israël begonnen met het bouwen van een enorme barrière, meestal de Muur genoemd. De oprichting hiervan, merendeels op bezet gebied en ten dele zelfs ver daarbinnen, is - alweer - een flagrante schending van het internationale recht. Het Internationale Hof van Justitie, ’s werelds hoogste rechter, heeft (op 9 juli 2004) uitgesproken dat Israël dadelijk moet ophouden met het bouwen van die Muur en moet afbreken wat er al staat. Het Hof stelde vast dat Israël wel een barrière mag bouwen op eigen territoir of op de grens met bezet Palestijns land maar niet op bezet gebied. Bovendien verklaarde het Hof de nederzettingen illegaal. Israël heeft zich van deze uitspraak niets aangetrokken. De bouw van de Muur gaat verder, tot op de dag van vandaag.

Het is nog erger. Het bezettingsleger heeft op tal van plaatsen (meer dan 500) wegen geblokkeerd door barricades en controleposten neergezet die de bewegingsvrijheid van de Palestijnse bewoners ernstig beperken. Daarbij komt dat voor verplaatsingen binnen het bezette gebied veelal speciale pasjes nodig zijn (die vaak moeilijk verkrijgbaar zijn). Zo wordt het familiebezoek belemmerd, ook het reizen naar school, ziekenhuis of werk en het vervoeren van oogst naar een markt. De samenleving raakt aldus ontwricht en wat er nog van een Palestijnse economie over is sterft af. Schrikbarende werkloosheid en armoede zijn het gevolg.

En de zelfmoordaanslagen dan? Mogen de Israëliërs zich daartegen niet door barrières en barricades beveiligen? Jawel, want deze aanslagen zijn illegaal, zelfs verfoeilijk.

Bij het nemen van maatregelen moet de Israëlische regering wel binnen de kaders van het internationaal recht blijven. Maar dat gebeurt niet. Het Israëlische leger, een van de sterkste ter wereld, maakt door bombardementen en beschietingen grote aantallen slachtoffers onder de Palestijnse burgerbevolking. Helaas hoor je hierover nauwelijks.

Twee andere kanttekeningen moeten worden gemaakt. De zelfmoordaanslagen zijn pas in de jaren ’90 begonnen. Pas nadat de bezetting al ruim een kwart eeuw had voortgeduurd, zonder dat er enig uitzicht kwam op herstel van vrijheid en recht in een eigen Palestijnse staat. De dadelijke aanleiding hiertoe was een vreselijk incident in Hebron, in 1994. Een Joodse extremist rende daar een moskee binnen en doodde met een vuurwapen 29 in gebed neergeknielde Palestijnen.

Bovendien: van Israëlische zijde worden alle Palestijnse gewelddaden gebrandmerkt als daden van terreur, zelfs dan wanneer zij gericht zijn tegen het bezettingsleger. Het internationale recht veroorlooft echter ieder volk onder bezetting zich daartegen te verweren, ook met geweld.

Alleen de stichting van een levensvatbare Palestijnse staat kan een rechtvaardige en daarom duurzame vrede brengen in dit geteisterde land. Amerika is bij machte dit te bewerkstelligen. Maar ook Europa kan hiertoe een krachtige impuls geven. Helaas laat de EU haar mogelijkheden tot effectief optreden onbenut, het blijft bij het uiten van vermaningen. Als lid van deze falende EU is Nederland mede verantwoordelijk voor het voortduren van onrecht en ten hemel schreiende ellende in Palestina.

Wat indien de staat Israël uiteindelijk niet bereid blijkt, noch kan worden gedwongen, Oost-Jeruzalem en de hele Jordaanoever alsnog te ontruimen voor de stichting van een levensvatbare Palestijnse staat? Dan blijft er geen andere mogelijkheid over dan het voormalige mandaatgebied Palestina om te vormen tot één staat, waarin Joden en Palestijnen samen wonen op voet van gelijkheid. Zuid-Afrika kan hierbij tot voorbeeld dienen.









zaterdag, december 15, 2007

De Groot Moefti al-Hoesseini


Groot Moefti Mohammed Amain al-Hoesseini, een man die vaak vergeten wordt in het Westen, maar een cruciale rol gespeeld heeft in de Tweede Wereldoorlog met name in het Midden-Oosten. Vandaag wordt hij herdacht door de Palestijnen als volksheld, in het Westen als oorlogsmisdadiger. Hij vormde de link tussen het nationaal-socialisme en de fundamentalistische islam. Een beknopt overzicht van zijn leven, dat grotendeels in teken stond van de strijd tegen de Joodse kolonisatie van Palestina.

Al-Hoesseini is geboren in 1893, in Jeruzalem, als zoon van een rijke moefti. Na korte tijd Islamitisch Recht te hebben gestudeerd en een pelgrimstocht naar Mekka te hebben ondernomen, meldt Hoesseini zich tijdens WO I aan om te dienen in het Ottomaanse leger. In 1917 keert hij echter terug naar Jeruzalem en stapt hij over naar de Britse overwinnaars.

Hoesseini ontpopt zich als fanatiek antizionist. In 1920 krijgt hij door de Britten een gevangenisstraf van tien jaar opgelegd voor het starten van rellen tegen biddende joden. Hoesseini vlucht echter het land uit, en hoeft zijn straf niet uit te zitten.

Wanneer een jaar later de moefti van Jeruzalem overlijdt, laat de Britse High Commissioner van Palestina, Herbert Samuel, zelf van joodse afkomst, zich door antizionisten in zijn staf overhalen om de anti-Britse en antizionistische Hoesseini pardon te verlenen en aan te stellen als nieuwe moefti. Hierbij noemt Samuel hem zelfs grootmoefti, een term die eerder niet bestond.

In ruil voor zijn aanstelling als moefti, zorgt Hoesseini ervoor dat de onrust in Jeruzalem de kop ingedrukt wordt. Hij verzekert Samuel dat hij de rust voortaan zal bewaren. Tegelijkertijd wordt Hoesseini president van een nieuw opgerichte Hoge Moslimraad, waardoor hij zowel religieus als politiek leider van de Arabieren wordt.

Voordat Hoesseini moefti wordt, zijn er Arabieren in Palestina die voorstander zijn van een situatie waarin Arabieren en joden samen in het land leven. Hoesseini wil daar echter niets van weten; hij wil koste wat kost dat alle joden uit Palestina vertrekken.

Zodra Hoesseini aan de macht is, begint hij een terreurcampagne tegen iedereen die het niet met hem eens is. Hij doodt zowel joden als Arabieren die zijn beleid niet steunen. Van vredesonderhandelingen wil hij niets weten. Hiermee vertegenwoordigt Hoesseini een voor die tijd nieuw, gewelddadig soort Palestijns nationalisme.

In 1929 beschuldigt Hoesseini lokale joden er valselijk van, moskees vervuild en in gevaar gebracht te hebben. Hij roept de Arabieren op: “Izbah Al-Yahud!”, oftewel “Slacht de Joden!” Dit leidt tot de dood van zestig joodse inwoners van Hebron. Hoesseini wakkert de rellen aan door foto’s van in Hebron gedode joden te laten zien met de boodschap dat het Arabieren zijn, gedood door joden.

Als moefti laat Hoesseini onder andere de Al-Aqsamoskee en de Rotskoepel restaureren, waarbij de koepel met goud bedekt wordt. Dit verhoogt het aanzien van Jeruzalem bij moslims overal ter wereld, en daarmee ook de status van Hoesseini.

Zes Arabische leiders vormen in 1936 het Hoger Arabisch Committee, waar Hoesseini hoofd van wordt. Deze organisatie protesteert tegen de Britse steun voor zionisme in Palestina. In april van dat jaar breken rellen uit in Jaffa, het begin van een drie jaar durende periode van geweld en onrust in Palestina. Het terrorisme, gericht tegen joden en Britten, wordt geleid door het Hoger Arabisch Committee.

In 1937 laat Hoesseini weten dat hij het eens is met de nazi’s in Duitsland. Hij vraagt het Derde Rijk om tegenstand te bieden aan de stichting van een Joodse staat in Palestina en de joodse immigratie, en wapens te leveren aan de Arabische bevolking.

In datzelfde jaar ontmoet hij toekomstig nazi-kopstuk Adolf Eichmann. Na deze ontmoeting verleent de SS hem, volgens documenten die bij Eichmann’s proces en de Neurenbergse processen naar boven komen, inderdaad financiële steun voor de rellen in 1936-1939.


Als er een poging wordt gedaan om de Britse inspecteur-generaal van de Palestijnse politiemacht te doden en joden en gematigde Arabieren door extremisten worden gedood, verklaren de Britten het Hoger Arabisch Committee illegaal. Hoesseini verliest daardoor zijn functie als president van de Hoge Moslimraad en wordt verbannen naar Syrië, van waar hij zijn werk voortzet.

Vanuit Bagdad steunt Hoesseini de pro-nazi opstand van 1941. In november van dat jaar ontmoet hij Hitler. De rest van de oorlog verblijft hij in Duitsland, waar hij moslims in radioboodschappen oproept om joden uit te roeien en mee te vechten in het Duitse leger.

Tijdens de oorlog wordt hij een adviseur van het Derde Rijk.

Als Duitsland in 1945 de oorlog verliest gaat Hoesseini naar Egypte. Daar wordt hij als held ontvangen. Hij wordt wel beschuldigd van oorlogsmisdaden, maar er komt nooit een proces omdat de geallieerden bang zijn voor de reactie van de Arabische wereld.



Hoesseini steunt vanuit Egypte de oorlog tegen de nieuwe staat Israël in 1948, en wanneer de Jordaanse koning Abdullah de functie van grootmoefti van Jeruzalem aan iemand anders geeft, laat hij hem vanuit Egypte vermoorden. De twee volgende koningen verlenen Hoesseini echter nog geen toestemming om Jeruzalem binnen te komen, omdat ze inzien dat de voormalige leider de vrede in de regio in gevaar zal brengen.

Met het verlies van de Arabische legers tegen Israël in 1948, neemt ook de macht van Hoesseini af. Hij overlijdt uiteindelijk in Egypte in 1974, zonder dat hij – na 1937 - ooit nog in Jeruzalem is teruggeweest.
Zijn neef Yasser Arafat herdenkt Hoesseini in 2002 als nationale held en symbool van Palestijns verzet.

zondag, augustus 26, 2007

Historische film IJzerbedevaart



Historische film van de IJzerbedevaart in betere tijden.

dinsdag, april 17, 2007

De Vlaamse Militanten Orde (VMO) deel I - 1950-1971

De geschiedenis van één van de meest beruchte organisaties uit de Vlaamse beweging, de Vlaamse Militanten Orde, kortweg VMO, kan verteld worden in twee delen. In deze bijdragen wordt deel één van deze geschiedenis voor u ten berde gebracht.

De VMO ontstond in 1950, in woelige tijden voor de Vlaamse beweging. De Vlaamse beweging was een zware klap toegediend door de repressie. Wie zich openlijk manifesteerde als Vlaams-nationalist kreeg het aan de stok met pseudoweerstanders die meenden vorst en vaderland nog steeds te hoeven verdedigen tegen het fascistische gevaar. Het kwam bij vergaderingen van Vlaams-nationalisten die zich reorganiseerden dus ook regelmatig tot opstootjes. Om weerwerk te bieden tegen overijverige ex-verzetslui en consorten richtte Bob Maes een militantenorganisatie op om deze Vlaams-nationalistische bijeenkomsten te beveiligen. De VMO werd in eerste instantie ook de propagandagroep van de Vlaamse Concentratie, een vroege poging om weerom een Vlaams-nationalistische partij op te richten. In maart 1952 werd de VMO officieel opgenomen in de structuur van de Vlaamse Concentratie. In verschillende Vlaamse steden ontstonden kleine VMO-groepen. De gedachte aan de partijmilities van voor de oorlog was uiteraard niet veraf, daarom kreeg de VMO geen echte structuur, maar bestond de organisatie uit kleine groepen. De Vlaamse Concentratie verdween en de Volksunie kwam in de plaats. De Volksunie steunde de werking van de VMO, maar wenste een duidelijke inpassing van de organisatie in de partijstructuur.
In 1959 onderwierp de VMO zich aan de partijstatuten van de Volksunie. In 1958 kwam Wim Maes, geen familie van Bob Maes, aan de leiding van de Antwerpse VMO. Hij zou uitgroeien tot de feitelijke leider van de VMO. De Antwerpse groep groeide snel aan tot meer dan honderd vaste militanten. Maes richtte een muziekkapel op, zodat men openlijk een uniform zou kunnen dragen zonder beticht te kunnen worden van het vormen van een privé-militie. De VMO kreeg veel steun van de basis van de VU, maar de partijtop was minder enthousiast over de nieuwe stijl. De verhouding tussen de VU en de VMO werd door een aantal incidenten onhoudbaar.
Vanaf 3 oktober 1963 gingen de VMO en de VU hun eigen weg. Er werd een tussenoplossing gezocht, de Antwerpse groep werd omgevormd tot de Volksunie Militanten. Andere groepen weigerden. De Volksunie Militanten bleven op eigen houtje aan harde actie doen, in juni 1966 kwam er dan ook een definitieve breuk. De Volksunie Militanten werd terug VMO.
In 1966 was de VMO aanwezig bij de betoging van 31 januari tegen de sluiting van de mijn (zie artikel "De geschiedenis van Zwartberg). De VMO brak door de linies van de rijkswacht, gevolgd door de mijnwerkers. Later zouden ze nog acties van de mijnwerkers ondersteunen.






Op 3 oktober 1968 overleed Wim Maes. 't Pallieterke sprak van een "princelijke" begrafenis. De organisatie bleef achter zonder leider. Tijdens een proces tegen Maes in november 1963 sprak een magistraat, een dienaar van het Belgisch rechtssysteem: "Wim Maes is een eerlijk man. Hij heeft gehandeld zuiver uit idealisme. Tijdens het vooronderzoek heeft hij bewezen dat hij moedig is en zin heeft voor verantwoordelijkheid. Hij heeft ook begrepen dat hij verkeerd handelde."De rechterzijde van de VU bleef steun en fondsen geven aan de VMO. In 1969 kwam het tot een gewelddadige confrontatie tussen de VMO en enkele belgicistische organisaties te Stekene. Het Sint-Maartensfonds wou daar een erepark oprichten om de gesneuvelde oostfronters te huldigen. Het park kwam er. In september 1970 kwam het tot een gewelddadige botsing tussen plakploegen van het "Front Démocratique des Francophones" en de VU, gesteund door enkele VMO'ers. Een FDF'er overleed. Dit incident werd de aanleiding tot de ontbinding van de VMO door Bob Maes op 12 juni 1971.

Over de VMO is veel onzin geschreven en doet veel zever de ronde, later op deze webstek een geschiedenis gepubliceerd worden van de VMO na 1971.De VMO waarover in dit deel gesproken is, is een organisatie die levensnoodzakelijk was voor het opnieuw ontstaan van de Vlaams-nationalistisch organisaties na de tweede wereldoorlog. De VMO is dé belichaming van de (semi)revolutionaire actie, van Vlaamse strijd binnen de Vlaamse beweging tot 1971. De VMO evolueerde steeds meer in de richting van een knokploeg. Toch kan gezegd worden dat over het algemeen de mannen van de VMO: arbeiders, dokwerkers, ambtenaren, zelfstandigen... uit idealisme handelden. Hun daden en namen staan voor eeuwen in 't hart van het volk gebrand.

In het klauwaert-archief: educatief onverantwoorde illustraties

maandag, februari 05, 2007

In Memoriam: Edgard Delvo


Edgard Delvo wordt op 20 juni 1905 geboren in een Gents socialistisch arbeidersgezin. De intelligente Edgard gaat op 15 jarige leeftijd de normaalschool volgen. In 1924 wordt hij corrector in de socialistische Volksdrukkerij. Daar kwam Delvo voor het eerst tot het inzicht dat, alhoewel het socialisme zich beriep op de marxistische leer (door klassenstrijd het kapitalisme vernietigen en de arbeider ontvoogden door de dictatuur van het proletariaat), het socialisme er in de praktijk eerder op gericht was om door reformisme een arbeiderskapitalisme tot stand te brengen, en van de arbeiders minderwaardige burgermannetjes te maken. Er gaapte dus een brede kloof tussen de socialistische theorie en de praktijk. Tevens kwam hij tot het besluit dat de marxistische theo­rieën niet overeenstemden met de sociale werkelijkheid zoals hij die nu zelf in een socialis­tisch bedrijf kon ervaren. In 1925 haalt hij een acte van bibliothecaris, en wordt daarna vrij student aan de Gentse universiteit, waar hij psychologie, pedagogie, sociale en economische wetenschap volgt. In 1930 huwt hij met de onderwijzeres Joanna Rammeloo; ze krijgen 4 kinderen, waarvan 3 vroeg overlijden.

Delvo neemt de leiding van de Gentse AJ (arbeidersjeugd) die –anders dan de officiële Socialistische Jonge Wacht- veel meer cultureel bezig is. De AJ inspireerde zich op de Duitse Wandervögel, en legde de nadruk op het zelfstandige jeugdleven, de culturele ontplooiing van haar leden, de socialistische gemeenschapsbeleving en de natuurbeleving. Tegelijk is Delvo actief in de partij, als secretaris van BWP-Voetweg: hij leert er spreken en meetings geven. Hij komt ook in contact met Hendrik de Man, en leest zijn “Socialisme aan het Marxisme voorbij”. In 1928 wordt Delvo secretaris van de “centrale voor Arbeiders onder leiding van De Man, 6 jaar later wordt hij er secretaris-generaal, samen met de Waal Max Busert. Tegelijk met de machtstoename van Hendrik de Man, nam het geloof in het marxisme bij Delvo af. Hendrik de Man bood hem nieuwe perspectieven voor de motivering van zijn socialisme. Zowel De Man als Delvo betoonden vanaf hun geestelijke ommekeer belangstelling voor het nationalisme. Bij De Man resulteerde dit in 1931 in de uitgave van de brochure Nationalisme en Socialisme, waarin hij tot een positieve waardering kwam van wat hij het vrijheidsnationalisme noemde, een begrip dat we min of meer als synoniem voor ons volksnationalisme kunnen opvatten. Enigszins in tegenstelling tot zijn leermeester De Man, die later in staatsnationalistisch vaarwater terecht zou komen, zou Delvo dit inzicht in de daaropvolgende jaren consequent verder uitdiepen, wat hem uiteindelijk tot de slotsom bracht dat iedere waarachtige socialistische gezindheid onaf­scheidbaar verbonden moest zijn met een volksnationaal bewust­zijn (en omgekeerd), beide convergerend in één streef­doel: de volksgemeenschap.

De Man vormt een commissie om een “economisch plan voor België te ontwerpen”: een dam tegen communisme en nationaal-socialisme door de economische chaos en de klassenstrijd te beëindigen en tevens een aantrekkelijk alternatief voor de middenstand te bieden. In 1939 wordt De Man partijvoorzitter: Delvo werkt meteen met hem mee. Hij heeft in de jaren contacten met sociaalvoelende katholieken als Jacques Maritain en Tillich maar ook met ondermeer Joris van Severen, Victor Leemans en Lode Claes. In de meidagen van 1940 vlucht Edgard Delvo zoals velen doelloos naar Frankrijk. Bij zijn terugkeer in juni, gaat hij al snel in op de oproep van Staf De Clercq voor de vorming van een “Volksbeweging”. Hij spreekt op tal van volksvergaderingen om het nationaal-solidaristisch programma van de beweging te verdedigen. In oktober 1940 treedt hij toe tot de Raad van Leiding van het V.N.V. Tot het eind van de bezetting zal hij wekelijks een artikel in het V.N.V.-blad ‘Volk en Staat’ schrijven. Zijn collaboratie is er beslist geen om er materieel beter van te worden; hij verdient een bescheiden wedde en is ervan overtuigd dat Vlaanderen na de oorlog loon naar inzet zal krijgen.


Het logo van het VNV






Eind 1940 krijgt hij de leiding van de afdeling ‘vorming en stijl’, twee begrippen waar hij uitermate veel belang aan hecht. Als in juli 1941 zijn vriend Raymond Tollenaere naar het Oostfront gaat, wordt Delvo – die ook vrijwilliger was, maar van Staf de Clercq bevel kreeg in Vlaanderen te blijven, ook tijdelijk propagandaleider. Dan wordt hij gevraagd de leiding te nemen van de Unie van Hand- en Geestesarbeiders, een eenheidsvakvereniging waar Delvo zich voornamelijk bezighoudt met cultuur, sport en ontspanning. Zijn hoofdidee blijft: de sociale collaborateurs zien de schepping van een “Nieuwe Wereld” met nieuwe gedachten en maatstaven: solidariteit over de “klassen” en de grenzen heen, menselijk waardigheid, respect voor de arbeid. De arbeidersemancipatie moest worden verwezenlijkt door de arbeider een eigenwaarde en een eigenwaardigheid te verlenen. Het kwam er dus op aan om een nieuw mensenslag te doen ontstaan, dat niet de burgerlijke deugden, maar wel eigen waarden en normen, een eigen cultuur zou ontwikkelen als grondslag van een socialistische maatschappij. Socialisme was dus niet zuiver een materiële aangelegenheid (biefstukkensocialisme), maar in essentie een ethische, culturele, geestelijke bekommernis.

In juli 1944 schrijft hij zijn opvattingen neer in ‘Sociale collaboratie’, een boek dat pas in 1975 zal verschijnen. In september gaat Delvo naar Duitsland waar hij meteen wordt opgenomen in de “Raad van Leiding” een Vlaamse (schim-)regering in ballingschap; hij zet zich vooral in voor de materiële en morele belangen van de talrijke Vlaamse arbeiders. Na het mislukte Ardennenoffensief gaat de Raad uiteen en Delvo trekt naar Oostenrijk. Er komen jaren van grote armoede, honger, zich telkens weer verplaatsen doorheen heel West-Duitsland en hopen uit de handen van de bezetters te blijven. Delvo overleeft door het uitvoeren van onderbetaalde karweitjes. Eerst vanaf 1952 vindt hij behoorlijk werk in een bouwbedrijf. Intussen kreeg Delvo’s gezin ook zware klappen: hun huis werd geplunderd, zijn vrouw als onderwijzeres ontslagen. Eerst in 1965 kon mevrouw Delvo naar Duitsland komen wonen; in de jaren ’50 en ’60 waren dan nog Delvo’s 2 zonen overleden. Hij tracht jarenlang het doodvonnis bij verstek, dat hij van de Krijgsraad had opgelopen te doen wijzigen; dat lukt pas in 1969, (20 jaar hechtenis) maar de Belgische nationaliteit blijft hem ontnomen. Eindelijk kan hij in 1974 naar Dilbeek terugkeren, de publicatie van zijn ‘Sociale collaboratie’ brengt hem terug in de belangstelling. Hij blijft onvermoeibaar schrijven en geeft in 1978 zijn mémoires uit: “De mens wikt…” Dan volgt nog in 1983 “Democratie in stormtij, herinneringen aan de jaren ‘30”. In 1979 wil Delvo met een eigen initiatief de amnestiestrijd ondersteunen: hij denkt aan een eigen lijst bij de Europese verkiezingen, waarop hij de enige kandidaat zou zijn. Hij verzamelt de 5 nodige parlementaire handtekeningen, maar zijn lijst wordt afgewezen omdat hij ‘statenloos en dus onverkiesbaar’ is. Hij had daarna geen politieke activiteiten meer, ging hier een daar nog spreken en plande nog een aantal boeken; maar door zijn zeer verzwakt gezichtsvermogen kwam hij daar niet meer aan toe. Hij overleed op 27 augustus 1999 in het ziekenhuis van Jette. Aan zijn ideaal, het ‘ethisch socialisme’ bleef hij zijn leven lang trouw.


vrijdag, januari 12, 2007

In Memoriam: Dr. August Borms


Geen bevrijdingsstrijd zonder martelaren. In de volgende bijdragen op deze weblog zal aandacht besteed worden aan diegenen die hun leven gaven voor hun volk en idealen. Op algemeen verzoek starten we met dr. August Borms, afkomstig uit het Waasland. Wij als redactie van Klauwaert schenken speciale aandacht aan hem en nemen als het ware zelf deel aan de Bormsdevotie, omdat ook wij uit dezelfde Wase klei als Borms gekneed zijn.

August Borms werd op 14 april 1878 geboren te Sint-Niklaas. Als zoon van een arbeider die zich had opgewerkt tot de burgerij, volgde hij zijn humaniora aan het Klein-Seminarie van Sint-Niklaas. Daar werd hij lid van de Blauwvoeterie. Vanaf 1896 tot 1902 volgde hij in Leuven Germaanse filologie in Leuven. Daar richtte hij de Wase club op. Na zijn studies werkte hij als leraar, tot hij in 1903 naar Peru vertrok om daar het onderwijs te verbeteren. In 1906 keerde hij terug naar Vlaanderen. Hij hervatte zijn job als leraar. Borms reisde voor de oorlog vele Vlaamse steden om op bijeenkomsten te spreken. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, schreef hij: "Zij zullen hem niet temmen ! Alle Belgen, Vlamingen en Walen, moeten samen vechten tegen de Duitsers." Ondanks de vele beloftes bleef de Belgische regering de Vlamingen onderdrukken. Borms ging geleidelijk over in het activisme. Zijn argumenten hierbij waren dat de franskiljons de godsvrede verbroken hadden en dat de Vlamingen weer moesten strijden voor Vlaamse zelfstandigheid.

Borms richtte in 1917 de Raad van Vlaanderen op. Deze raad legitimeerde het activisme. Op 3 maart 1917 ontving de Rijkskanselier een delegatie van de Raad. Op 22 december 1917 werd de Vlaamse zelfstandigheid uitgeroepen door de Vlaamse Raad. Borms werd vervolgens door het Belgische gerecht gearresteerd, maar de Duitse bezetter stelde hem in vrijheid. Borms neemt een absoluut pro-Duitse houding aan. Borms bleef na de bezetting in België en probeerde samenwerking te stimuleren met de frontbeweging. Deze samenwerking mislukte en Borms werd in 1919 gearresteerd. Borms pleitte op zijn proces schuldig. Hij werd dan ook veroordeeld tot de zwaarste straf: de doodstraf. Deze staf werd omgezet in levenslang. Rond Borms ontstond een ware cultus. Borms kon al in 1921 vrijkomen, op voorwaarde dat hij zich niet politiek zou engageren. Borms weigerde. Borms' martelaarsschap nam mythische vormen aan. Er waren zelfs plannen om Borms met behulp van gewapende Sinn Féin-leden (Sinn Féin is een Iers-nationalistische partij) te bevrijden. Ook een pauselijk medewerker hoorde over Borms' sterke geloof en vroeg de Belgische regering om vrijlating. Toen in 1928 te Antwerpen tussentijdse verkiezingen werden gehouden, stelde de Frontpartij Borms kandidaat, tegen een liberale kandidaat. Borms werd met 83.058 stemmen tegen 44.410 verkozen. Deze verkiezing werd -uiteraard- ongeldig verklaard. De Belgische regering wou van Borms af, want de vraag om amnestie werd steeds groter. Op 17 januari 1929 werd Borms dan ook vrijgelaten. Borms nam na zijn vrijlating actief deel aan het Vlaams-nationalisme, zonder nog een leidende functie aan te nemen. Hij zou dikwijls optreden op VNV-bijeenkomsten. Hij steunde nationaal-socialisten die het VNV wouden radicaliseren. Nog voor de tweede Duitse bezetting, stond vast dat hij opnieuw zou deelnemen aan een tweede activisme.

Bij het uitbreken van de oorlog werden verschillende anti-belgische leiders, zoals Borms, weggevoerd naar Noord-Frankrijk. Hij koos opnieuw de zijde van de bezetter. Hij nam deel aan tal van manifestaties en propageerde voor het Oostfront. Bij de bevrijding vluchtte Borms naar Duitsland en ronselde daar Vlaamse vrijwilligers voor Duitse krijgsdienst om zo Vlaanderen te heroveren. Borms werd in augustus 1945 gearresteerd. In oktober werd hij al ter dood veroordeeld. Op 12 april werd Borms, verzwakt door zijn gevangenschap, vastgebonden aan een paal en neergekogeld in de kazerne van Etterbeek. Nog één maal weerklonk zijn stem als een klok, zijn laatste woorden waren: "Dietsland Houzee !". De rol van martelaar, die hij verkregen had na zijn eerste veroordeling, werd vervuld. Borms is tot op vandaag een mythe, een martelaar van ons volk.


Dietsland Houzee !



Borms door Willem Elsschot

Ik zag naar de plaats des gerichts : daar was de boosheid.
PREDIKER III : 16
Al uwe minnaars hebben u vergeten.
JEREMIA XXX : 14




Gij zijt mij vreemd geweest, vermetele oude vriend,
maar dat gij Neerlands vaan manmoedig hebt gediend
dàt weet ik niettemin zooals 't een ieder weet die nu,
in dit ons Land, zijn brood in schaamte eet.

Voor rechters-soldeniers, beroepen door de Staat,
is het u dan vergaan zooals het dapperen gaat.
En de Regent keek toe, stilzwijgend, onverstoord,
maar nam zijn pen niet op voor 't schrijven van één woord.

Uw gratie lag gereed voor 't buigen van uw nek,
voor 't beven van uw lip, voor 't eten van uw drek.
Goddank, gij hebt dat tuig misprijzend genegeerd
en noch uw dierbaar volk noch uwe naam onteerd.

Dat kon, dat wilde, of dórst men niet verstaan.
Men riep het peloton en 't peloton trad aan.
Maar dat het salvo, dat finaal is losgebrand,
ons allen heeft geraakt, dat voelt heel Vlaanderland.

En dat geen enkele stem tot u is opgegaan
toen ieder in zijn geest u voor die muur zag staan.
De Paus heeft niet geroerd, wij allen zwegen stil
als was die snoode daad des Heeren eigen wil.

Een ieder zwoer bij God: Ik heb hem niet gekend,
die oude, door de pest geslagen krukkenvent."
0 lafheid ongehoord, o niet te delgen schand,
waarvan 't infame merk ons op het voorhoofd brandt.

Nog glom een laatste sprank: Oranje's vrome telg
verheft des Zwijgers stem en schut die stoere Belg.
Uw nood, helaas, drong niet tot in de troonzaal door:
wie eenmaal is gedoemd vindt nergens meer gehoor.

Al werd uw oude romp in allerijl vermoord,
de echo van uw stem wordt door geen schot gesmoord.
En wat van u resteert wordt éénmaal naar de Wet
van Vlaanderens eergevoel, met staatsie bijgezet.

Voorop de Kardinaal, gedost in vol ornaat.
Herzegend en verkist zijt gij zijn kameraad.
Hij zal, na 't eersaluut liturgisch henengaan:
en zo heeft dan het Land postuum zijn plicht gedaan.

OPDRACHT:

Gij dacht, o lijdzaam volk, dat 't gruwelijk getij
der oude tyrannie voor immer was voorbij.
Weet nu dan dat uw stem door niemand wordt aanhoord,
Zoolang gij stamelend bidt of bedelt bij de poort.



Antwerpen 1947

Willem Elsschot



woensdag, december 13, 2006

Heldenhulde: Dietsch Eedverbond "De Rebellen"

In deze rubriek zullen wij hulde brengen aan de –al dan niet vergeten- helden van Vlaanderen.
Met deze bijdrage willen wij hulde brengen aan –ook in de Vlaamse beweging- vrijwel onbekende organisatie: Het Dietsch Eedverbond “De Rebellen”.

Dit geheim genootschap trad in de jaren 1958 en 1959 naar buiten met de uitgave en verspreiding van Rebellenbrieven. Er verschenen vijf gedrukte nummers met als ondertitel “Zakkrantje voor nationale beweging”. Het verbond kwam op voor radicale acties, voor het Dietse doel van de Vlaamse beweging, de eenheid van Dietsland, voor amnestie, voor een breed opgezette nationale beweging, wars van de partijpolitiek, voor de oprichting van één nationaal weekblad [1].

Deze eisen zijn tot op de dag van vandaag meer dan actueel binnen het versnipperde landschap van de Vlaamse beweging, maar was in die dagen nog actueler, wegens het steeds weer mislukken bij het oprichten van een nieuwe Vlaams-nationalistische eenheidspartij, die de Volksunie later zou worden. Het verbond handelde anoniem en verspreidde ook een oranje-wit-blauwe affiche met de tekst: “Hier en aan de overkant, daar en hier is Nederland.” De pamfletten werden verspreid rond de Nederlands-Vlaamse grens.

Met dit schrijven brengen wij hulde aan dit verbond, dat handelde uit principe en niet te koop liep met hun gedachtegoed en eventuele eer, want zij handelden anoniem.
Binnen de Vlaamse beweging is er nood aan zo’n semi-revolutionaire actie, alsook aan intellectueel leiderschap.

[1] Bron : Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Lannoo, 1973


zaterdag, november 18, 2006

In Memoriam: Wies Moens

Wies Moens wordt op 28 januari 1889 geboren te Sint-Gillis-Dendermonde. Hij volgt humaniora aan het Heilige-Maagdcollege in Dendermonde. Daar was hij aktief in de plaatselijke afdelingen van het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond (AKVS). Van 1916 tot 1918 studeert Moens Germaanse filologie aan de vernederlandste universiteit van Gent. Hij was wat men noemt een activist. Deze beweging kenmerkte zich door het streven naar radicale politieke veranderingen die de Vlaamse gemeenschap binnen een hervormde Belgische staat of zelfs binnen een soeverein Vlaanderen de grootst mogelijke politieke zelfstandigheid zouden moeten bieden. Deze beweging wou deze politieke veranderingen -indien nodig- bereiken met de hulp van de Duitse bezetter. In december 1920 wordt Moens voor zijn activisme veroordeelt tot vier jaar gevangenisstraf. In de cel schrijft Moens verschillende gedichtenbundels: "De Boodschap" (1920) en "De Tocht" (1920). Deze gedichten behoren samen met die van Paul Van Ostaijen tot hoogtepunten van het poëtisch expressionisme. Bekendheid verwerft hij met het schrijven van de prozabundel "Celbrieven". Moens' ideologie wordt gekenmerkt door zijn sociale bekommernis. Tijdens zijn gevangenschap evolueert Moens tot een een anti-Belgisch en anti-parlementair Vlaams-nationalist die het Groot-Neerlandisme propageerde. Moens wordt dé vertegenwoordiger van de radicale Groot-Nederlandse gedachte. Na tussenpozen bij het Algemeen Vlaamsch Nationaal Verbond en een lijst samen met Jef François in Gent, Eeklo en Dendermonde, sticht Moens samen met Joris van Severen het Verbond van Dietsche Nationaal Solidaristen (Verdinaso) op. Het autoritaire Verdinaso pleitte voor een Dietse volksstaat op basis van het nationaal-solidarisme. In de zomer van 1934 kondigde van Severen de Nieuwe Marsrichting af. Deze hield het loslaten van de strakke, volkse, Dietse lijn af. Vanaf de Nieuwe Marsrichting zweerde het Verdinaso elke vorm van Vlaams-nationalisme af en stelde het alles in het werk om een nieuw, groot, Bourgondisch rijk te stichten. Moens breekt hierdoor met het Verdinaso en start een eigen tijdschrift: "Dietbrand", wat volkszwaard betekent. Een kanaal waarmee hij zijn eigen ideologie, opgebouwd in de jaren twintig, verder kan verspreiden. Zijn ideeëngoed vindt weinig steun binnen de Vlaamse beweging, hij krijgt te veel concurrentie van Verdinaso en het Vlaams Nationaal Verbond (VNV) van Staf de Clercq. Moens keert terug naar de literatuur. In "Golfslag" (1935), "Het Vierkant" (1938) en "De dooden leven" (1938) pleit hij voor zijn Diets volksnationalisme. Tijdens de tweede wereldoorlog ontstaat er een toenadering tussen Moens en het VNV, dat zich sinds het begin van de oorlog profileerde als voorvechter voor Diets volksnationalisme. Moens verwierp de Duitse annexatiepolitiek. In 1942 wordt hij aangesteld tot algemeen leider van de culturele uitzendingen van Zender Brussel. In 1943 neemt hij ontslag omwille van de toenemende Duitse inmenging. Na de bevrijding duikt Moens onder en hij wordt bij verstek ter dood veroordeeld door de Belgische inquisitie. Hij vlucht naar Nederland. Hij kan in 1968 terugkeren naar België, maar weigert. Hij blijft in Nederland tot zijn dood in 1982. Moens schrijft nog één dichtbundel: "De Verslagene".
Voor de aanhangers van de Groot-Nederlandse gedachte, blijft hij het ideologische voorbeeld. Moens is heel zijn leven trouw gebleven aan zijn idealen. Dit leidde tweemaal tot ontslag. Deze koppige consequentie siert hem.





uit: "de Boodschap"

De oude gewaden
zijn afgelegd.
De frisse vaandels
staan strak
in den morgen.
Aartsengelen
klaroenen nieuwen dag.

donderdag, november 09, 2006

De geschiedenis van Zwartberg


Op 31 januari 1966 speelt er zich in Limburg een drama af. De geschiedenis van Zwartberg is hét voorbeeld bij uitstek dat bewijst dat de Vlaamse beweging ook een sociale beweging is en was.

Het begon allemaal toen de rooms-rode regering van eerste minister Harmel een tekort in de begroting had van 22 miljard Belgische franken, onder andere door de verlieslatende steenkoolmijnen. Er deden geruchten de ronde over sluitingen. Om revoltes in Wallonië te vermijden zouden niet alleen Waalse, verlieslatende mijnen gesloten worden, maar werd ook beslist om de modernste mijn van België, de Vlaamse mijn van Zwartberg, te sluiten.

De arbeiders kregen geen steun van de socialistische en christelijke vakbonden, want die vakbonden waren en zijn partijgebonden en de socialisten en christendemocraten zaten in de regering. Dus sprong de Vlaamse beweging op de bres voor de gewone man. De Volksunie klaagde al jaren aan dat Limburg een Belgische kolonie was, dit was haar kans om iets te doen voor die provincie en voor de arbeiders.

Op 27 januari vallen de eerste ontslagen in de mijn van Zwartberg. De arbeiders zijn aangeslagen. De ochtendploeg daalt af in de ondergrond en komt niet meer boven. Ze staken ondergronds. Er onstaat ook spanning aan het aardoppervlak, een omhaling van geld voor de stakers wordt verboden. Het betogingsverbod wordt uitgevaardigd.

In Hotel Uilenspiegel wordt inmiddels een hoofdkwartier ingericht door leiders van de Volksunie. Jaak Kuppens trommelt de Vlaamse Militanten Orde onder leiding van Wim Maes, de verdedigers van de Vlaamse zaak op, die eigenlijk in Moeskroen zouden gaan manifesteren. Op 30 januari komt het tot een confrontatie tussen de betogers, met onder hen vele Volksuniemandatarissen en de VMO'ers, en de rijkswacht. Een traangasgranaat belandt in een winkel. Dit leidt tot een escalatie van het geweld en tot een ware veldslag. Later die dag wordt de orde terug hersteld.

In Hotel Uilenspiegel ontstaat er verdeeldheid rond het optreden van de VMO. Vakbondsafgevaardigden hebben inmiddels bedreigingen ontvangen van mensen wiens emoties te hoog oplopen.

De vakbondsafgevaardigden verzamelen zich op 31 januari in het stakingscomité en zijn de enige gesprekspartners voor de directie van de mijnen.

De acties verspreiden zich over heel het mijngebied. In Winterslag worden de werkzaamheden stilgelegd door het doorsnijden van een transportband, de belgicistische rijkswacht schiet hier met veiligheidspatronen op de Vlaams-nationalistische betogers, die ondertussen mijnhout als wapens gebruiken. In Waterschei vindt acht jaar voor de Ierse "Bloody Sunday" een gelijkaardig tafereel plaats. Twee betogers worden neergeschoten. Jan Latos overlijdt ter plekke en Theo Van Hecke blijft verlamd tot aan zijn dood in 1974. Valère Sclep wordt door een Belgische traangasgranaat op het hoofd geraakt en overlijdt ter plekke. De B.O.B. en de gerechtelijke politie verrichten achteraf huiszoekingen om beslag te leggen op de foto's van de rijkswachters in actie.

In Uilenspiegel beseft men dat men ongewild een escalatie heeft uitgelokt. Er is sprake van terroristische plannen. Om dit te voorkomen beslist een deel van het gezelschap in Hotel Uilenspiegel om naar de koning te gaan.

Op 1 februari komt deze delegatie aan in Laken en wordt ontvangen in het koninklijk paleis. In de nacht van 30 januari op 1 februari is er ook crisisberaad tussen de regering en de top van de rijkswacht. Er wordt beslist om twee bataljons paracommando's te sturen naar de mijnstreek. De rust keert terug.

Op 2 februari komt het teneergeslagen stakingscomité samen met de vakbonden. De zogenaamde akkoorden van Zwartberg worden geformuleerd. Hierin stond dat de mijn pas zal sluiten als elke werknemer ander werk had. De regering aanvaardt het akkoord. Tijdens een woelige Kamerzitting beschuldigt premier Harmel de Volksunie ervan, de incidenten te hebben uitgelokt. Volksunie-voorzitter Frans Van der Elst interpelleert meteen over de verwaarlozing van Limburg.

Op 3 februari vindt de begrafenis van de slachtoffers in alle rust plaats, zonder aanwezigheid van de rijkswacht.

Op 4 februari spreken de vakbonden ACV en ABVV de mijnwerkers toe. Ze worden op de stakersvergadering duchtig onder handen genomen, maar de stakers aanvaarden het akkoord zoals het op tafel lag. De vakbonden triomferen op de kap van de Vlaamse beweging;

Iedereen gaat terug aan het werk op 7 februari. Eind '66 heeft elke mijnwerker van de mijn van Zwartberg een nieuwe baan. Er wordt overgegaan tot de sluiting van de mijn. Vijfentwintig jaar na de gebeurtenissen velt een Belgische rechtbank een oordeel in de zaak Latos, de familie heeft geen recht op een schadevergoeding.

De begrafenis van de Vlaamse martelaar Jan Latos

dinsdag, oktober 31, 2006

Anton van Wilderode

Volk, word staat, wordt Vlaamse staat
doe de kansen keren
wéér wie met slechte raad
om de wille van de baat
averechts regeren
zoveel slechte heren.

Anton van Wilderode

korte biografie:
Anton van Wilderode werd op 28 juni 1918 als Cyriel Coupé geboren te Moerbeke-Waas. Hij volgde klassieke humaniora aan het Sint-Jozef-Klein-Seminarie. Hij werd op 21 mei 1944 tot priester gewijd in de Gentse Sint-Baafskathedraal. Vervolgens studeerde hij klassieke filologie aan de universiteit van Leuven. In 1946 werd hij leraar aan het Sint-Jozef-Klein-Seminarie in Sint-Niklaas, daar gaf hij les aan later bekende auteurs zoals Paul Snoek, Tom Lanoye en Dirk van Bastelaere.
Hij schreef vele teksten voor de IJzerbedevaart te diksmuide en voor het Vlaams-Nationaal Zangfeest in het sportpaleis te Antwerpen.
Van Wilderode schreef van 1939 tot aan zijn dood vele gedichten, hij vertaalde ook teksten van klassieke dichters zoals Vergilius en Horatius.

Deze biografie is uiteraard véél te kort om een compleet overzicht te kunnen geven van het leven en werk van de beschieden, dichtende, reizende, vertalende Vlaams-nationalistische priester-dichter, Anton van Wilderode.

Daarom nog enkele tips:
http://users.telenet.be/antonvanwilderode
"Anton van Wilderode" door Willem Persoon

Het standbeeld van Anton van Wilderode in de collegestraat aan het college van Sint-Niklaas.



maandag, oktober 30, 2006

Een "zwart" weekend

Het Sint-Maartensfonds en het tijdschrift Dietsland-Europa, twee monumenten uit de (extreem-rechtse) geschiedenis van de Vlaamse beweging houden op te bestaan.
Het Sint-Maartensfonds was een belangenvereniging voor de oudstrijders van het Oostfront. Gisteren hielden de oud-oostfronters en hun sympathisanten een afscheidsfeestje in het Antwerpse. Het erepark voor de overleden oostfronters, dat sinds 1976 onder het beheer van het Sint-Maartensfonds stond, is al overgedragen aan het VNJ. De vereniging werd beroemd, maar vooral berucht, door het bezoek van de toenmalige minister Sauwens aan één van de activiteiten van het fonds.


Het graf met berkenkruis van Reimond Tollenaere, VNV-propagandaleider en gesneuveld aan het oostfront.


Het tweede monument uit de Vlaamse beweging dat ermee stopt is het tijdschrift Dietsland-Europa. Dietsland Europa was in 1956 opgericht door de JNG (de Jong Nederlandse Gemeenschap). Karel Dillen, oprichter van het Vlaams Blok was hoofdredacteur. Later kwam het blad onder de leiding van Were Di te staan. Dietsland-Europa kwam tegenwoordig in de actualiteit door de aandacht rond negationist Roeland Raes.
Nu de secretaresse van het blad is overleden, werd overgegaan tot het stopzetten van de activiteiten van Dietsland-Europa.



dinsdag, oktober 24, 2006

Belgische gerechtigheid


U ziet een afbeelding van een welgevormde, doch geketende Vrouwe Justitia, zij staat symbool voor de onrechtvaardigheden die het Belgische rechtssysteem kent. In de geschiedenis zien we vele onrechtvaardigheden tegenover flaminganten. In de 18e eeuw werd er in de rechtzaal dikwijls enkel Frans gepraat, waardoor de meeste Vlamingen niets van hun proces verstonden. Het bekendste voorbeeld is dat van Coucke en Goethals, twee vals beschuldigde Vlaamse jongens, die ter dood werden veroordeeld voor een misdaad die ze niet hadden begaan. Later zijn er de bekende voorbeelden van de repressie na de Eerste en de Tweede wereldoorlog. Vlaamse kopstukken werden gevangengenomen en door middel van een schijnproces vastgezet of zelfs ter dood veroordeeld, om zo de Vlaamse beweging te breken. Beste lezers, de belgische staat is er nooit in geslaagd de Vlaamse beweging kapot te krijgen! En deze verachtelijke schijnstaat zal hier ook nooit in slagen! Daarom willen wij deze boodschap nog meegeven: bevrijd deze Vrouwe Justitia van haar ketens! Bevrijd uw volk van haar ketens!
Vlaanderen onafhankelijk !
Zannekin
Alles op deze webstek mag overgenomen worden mits duidelijke bronvermelding. De redactie van Klauwaert